19. nov, 2014

Oost west

Druk. Dat is het. Veel aan het werk. Iedere dag vroeg mijn bed uit. Om kind van brood te voorzien, mezelf enigszins uit de kreukels te krijgen, mijn eerste koffie te drinken, de hond op straat te laten. Dan snel de auto in en richting kantoor.

Zo ook vanmorgen. Een roerige nacht met veel wakker worden. Dingen die me te binnen schieten. Over dossiers, over berichten die ik nog moet schrijven. Flarden van gesprekken die ineens opkomen. Beelden van dingen die me raken. Een blog die ik nog moet vullen. Of moeten.. die ik wil vullen. Omdat, hoe is het mogelijk, die blog gelezen wordt. Waar zal ik het deze week over hebben?

Het is al laat. Ik moet eigenlijk al in de auto zitten, wil ik nog op tijd op kantoor zijn. Toch laat ik nog even snel de hond uit. Tegenwoordig op bergschoenen omdat ik mijn blonde vriend niet meer houd als die wat bewegends voorbij ziet komen. Hond of mens. Poes of opwaaiend blad. Hij trekt mijn arm uit de kom. Ik kan me soms nog amper staande houden. Want wat is hij sterk geworden. En onstuimig. Op hakken of te nette schoenen, is het uitlaten een heel avontuur geworden. Dus mochten jullie voortaan iemand in korte rok (hoe charmant) met bergschoenen voorbij zien stappen, geflankeerd door een blonde hond. That’s me.
Ik word aangeschoten door een buurmeisje uit de straat. Of ik haar oude blinde zwarte kat gezien heb. Ze is hem kwijt. En de kat haar. Ze houdt me even aan de praat en –oh schande- ik heb weinig geduld. Ik moet het rondje met Bram nog beginnen en de klokt tikt genadeloos door. Toch luister ik. Ik beloof haar naar hem uit te kijken. Ik vervolg mijn rondje. Onderwijl nadenkend over een dossier waar ik in moet duiken. Het onderwerp van mijn blog en de rare nacht die ik achter de rug heb. Bram is vanmorgen voorbeeldig. Stapt als bejaarde naast me. Snuffelt wat en laat her en der wat vallen. Het rondje is zo gemaakt. Voor me loopt een dame met ook al een grote hond. Bram is gealarmeerd. Ik ook. Ik zet mijn hakken in het kiezelpad en houdt de lijn strak. De dame begint te roepen. Niet naar mij, maar naar verwilderd buurmeisje. “Daar zit ie”. Ik kijk met haar mee. Aan de andere kant van de sloot zit, helemaal ineengedoken, een zwarte kat. Buurmeisje trekt sprint en tilt de kat verheugd op. Het is ‘m. Hij is terecht. Ze gilt het uit van vreugde. Bedankt de dame met hond uitbundig. Om dan in huilen uit te barsten. Oef. Die komt binnen. Ik slik dapper met haar mee. Kan mijn tranen nog maar net bedwingen. Niet omdat die kat nu terecht is. Ik heb niets met haar kat. Maar om haar blijdschap. En de manier waarop ze de dame bedankt. Het raakt me.

Hoe blij was ik niet met mijn kat toen ik die allereerste avond in mijn andere huis oeverloos zat te sniffen op de bank. Het was mijn eigen vrije keus. Ik hoefde immers niet weg. Maar ging. Om mijn grenzen te verleggen. Om dat andere pad in mijn leven in te slaan. Niet wetende dat het zo godvergeten zeer deed om man, kind en mijn thuis achter te laten. Omdat ik zo nodig anders moest.
Daar zat ik. In een heerlijk, maar vreemd huis. Op een vreemde bank. Maar met vertrouwde zwarte kater. Die zijn kopje op mijn schoot legde. Tegen mijn buik in slaap viel. Hij was er wel.

Ik loop naar huis. In gedachten. Thuis komt een vertrouwde geur me al tegemoet. Eh.. vertrouwde geur? Het is een geur die ik al heel lang niet geroken heb. Een geur die ik ook niet meer wilde ruiken. Want, terug van weggeweest.. de geur van kattenpis. Op mijn nieuwe deurmat. Welkom thuis.