11. nov, 2014

Sint Maarten

Met een lampion langs de deur. Zingend uit volle borst. En altijd, altijd met een volle mond. Dat was ik, zo’n veertig jaar terug. Veertig jaar. Slik. Zo lang al?

Voor mijn gevoel liep ik er nog niet eens zo heel lang geleden. Samen met buurmeisjes of vriendinnetjes van school. Grote plastic tas of rugzak mee. Bij mensen waar veel te halen viel, deed ik extra mijn best. Zong ik op mijn aller- allermooist. Trok ik werkelijk alle registers open. De mensen die niet aardig waren of waar ik ieder jaar weer hetzelfde stuk taai-taai kreeg, sloeg ik over. Sint Maarten. Gemengde gevoelens heb ik er bij. Mijn vader die ieder jaar weer zat te bokken als wij - mijn broer en ik - ons klaar maakten om te gaan. Ons duidelijk maakte dat hij het helemaal niks vond. “Dat gebedel langs die deur”. Totdat we thuis kwamen met onze tassen vol en deze werden omgekeerd op tafel. En hij steevast alle schuimpjes er uit at. Mijn moeder genoot die avond dubbel. Kocht zakken vol snoep. En raakte altijd helemaal los. 

Wat een feest vond ik het om met mijn eigen kind langs de deur te gaan. Alhoewel. Hierbij een kleine kanttekening. Het eerste jaar was dat het niet. Want mijn kleine blonde sproetenkind had niet zoveel geduld. Wel veel, heel veel temperament. Stond bij huis nummer 2 al venijnig tegen de voordeur aan te schoppen. Het duurde hem te lang. Hij had immers nog vele deuren te gaan. En zingen? Nope. Echt niet dat hij zijn mond opentrok. En ik mijn gehele oeuvre maar weer ten gehore bracht. Uiteraard trok hij in de jaren daarna bij. Stond hij met zijn zelfgemaakte lampion, in weer en wind. Met rode wangen en ijl stemmetje te zingen. Oef. Momenten waar ik nog altijd kippenvel van krijg.

Ik kreeg het vanavond ook. Niet eens van mijn eigen kind. Wel van de kinderen voor mijn deur. Niets geen gebedel. Het was een feestje. Voor mij en voor die kinderen. Met veel kaarslicht en extra grote bak snoep. Die stralende ogen, de heldere stemmetjes. Ouders die op de achtergrond verliefd naar hun eigen kind kijken. Zo herkenbaar en zo gegund. Een jonge vader die op zijn hurken tussen zijn twee mini-dochters zit. Twee prachtige meisjes, de ene met een rood, de andere met een blond staartje. Die ze zachtjes de eerste woordjes van het liedje influistert. Huilen staat dan raar. Dat doe ik dan niet. Maar goden, wat ontroert me dat. Dus pink ik nu, terwijl ik schrijf, stiekem een klein traantje weg. Ik zei het al. Gemengde gevoelens.