4. aug, 2014

Una giornata particolare

Op dag 6 van de vakantie neem ik de auto en ga alleen weg. Op naar mijn roots. De mannen gaan voetballen en zwemmen. Ik kan met een gerust hart weg. Het is niet echt mooi weer, maar een paraplu ontbreekt. Uit principieel oogpunt in Nederland gelaten. Met het huizenlijstje van mijn broer rijd ik naar het dorp van mijn vader, het ligt zo’n 40 kilometer van ons vakantiedorp verwijderd. Onderweg zie ik de eerste bekende plaatsnamen voorbij komen. Het voelt allemaal zo vertrouwd. Tegelijk voel ik de herinneringen opkomen. De knoop in mijn maag wordt groter. De brok in mijn keel probeer ik weg te slikken. Het is al 8 jaar terug dat ik hier voor het laatst was. Ik zet de muziek wat harder en probeer al zingende mijn zinnen te verzetten. Ik geniet van de omgeving. Mais. Mais. Mais. Een enkele wijngaard. Moestuinen. Veel oude huizen, maar ook veel hele grote, in felle kleuren geschilderde, nieuwe. Wanstaltig vind ik die. Maar, oké, ze horen erbij en ach, met zonnebril op vallen ze wel mee. Als ik het dorp binnenrijd, miezert het licht. Toch is het warm buiten. Ik parkeer de auto en loop als eerste naar de kerk. Nooit geweten dat het er van binnen zó mooi was. Als kind vond ik het er oersaai en was ik eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in de paar bars die het dorp telde. Daar viel immers wat te halen. IJs, kauwgom of lemonsoda.
In het kerkje staat een oude man. Hij staat, met zijn ogen dicht, te bidden en brandt een kaarsje. Ik ga achterin de kerk zitten en laat de stilte over me heen komen. Hoe bijzonder is het hier. Hier werd mijn vader gedoopt. Hier was de laatste mis voor mijn grootouders. Als de man klaar is, sta ik op en brand ik twee kaarsjes. De tranen komen vanzelf. Ik laat ze. Het is goed, ik mag verdrietig zijn. Tegelijk voel ik me sterk. Ik mag en kan daar immers zijn. Wil het verdriet even voelen. Ze hebben niet voor niets geleefd.

Ik loop langzaam door het dorp. Kijk ondertussen naar de huizen die te koop staan, maak foto’s en app deze naar mijn grote broer. Wie weet en zit er wat voor hem tussen. Ondertussen ga ik richting kerkhof. Het is inmiddels vaste prik. Ik moet daar altijd even heen. Kijken naar de namen op de stenen. Ook mijn naam staat er tussen: het is de naam van mijn oma. Het blijft raar om dat te lezen. Ik ben helemaal alleen op het kerkhof en ook hier is de stilte, net als in de kerk, bijna tastbaar. Maar ook hier is het een goede stilte. Zo eentje die niet pijnlijk is, maar die je laat voelen dat het leven kostbaar is.
Na het kerkhof pak ik de auto en rijd een rondje. Rijd langs de plek waar mijn opa en oma ooit woonden. Hun kleine stenen huisje is vervangen door een groteske bungalow. De herinnering is vervaagd. Vanuit mijn raam maak ik nog snel een foto van het straatnaambordje. Ook die is vervaagd. Hoe symbolisch.

Het is al 12 uur. Ik ben al twee uur onderweg. Ik besluit meteen maar door te rijden naar mijn tante en nichtje. Ze wonen naast elkaar en allebei werden ze op die plek, toen ze midden 40 waren, weduwe. Ik zie er tegen op. Mijn tante is namelijk een vrouwelijke variant van mijn vader. Ze reageert en praat hetzelfde. Geen idee hoe het weer voelt om dat te ervaren. Ik rijd het erf op. Tante komt net het huis uit. Ze is gekrompen. Lijkt magerder. Haar donkere ogen staan fel. Geïrriteerd kijkt ze naar me. Herkent ze me..? “Ciao zia”, zo roep ik enigszins verlegen. De zon breekt door. Met uitgestoken armen komt ze op me af. Het eerste wat ze zegt is dat ze hetzelfde heeft als mijn vader. Ook zij is ziek. Maar inmiddels geopereerd en aan haar vijfde chemokuur bezig. Het is slikken als ik dit hoor, maar ik blijf overeind en voel dat ik welkom ben. Ook mijn neef is, toevallig, bij haar. Hij komt breed grijnzend op me af. Hij is klein, maar, zo te zien, nog bijzonder goed in vorm. Zijn knalblauwe ogen twinkelen als hij mij omarmt. Wij hebben iets samen: dezelfde humor en bijna dezelfde ouders. Mijn nicht, inmiddels helemaal grijs geworden, maar nog even prachtig als altijd, komt uit het andere huis. Ook zij verwelkomt me allerhartelijkst. Dit voelt als thuiskomen. Ik ben terug van weggeweest.

Dit is voor mij Italië. De warmte van mijn familie, het eten en drinken dat onmiddellijk op tafel komt. Het Italiaans. Het dialect. Zo speciaal om dit weer te ervaren. Tegelijk zo gewoon. Want ook dit hoort bij mij. Ik ben hier acht jaar niet geweest, toch is er geen kloof. Geen gat om te vullen. Ik ben welkom. Ik hoor erbij.