22. jul, 2014

Wat wil ik?

“Wat zou ík nog willen doen voordat ik dood ga…?” Ik vraag het me soms wel eens af. Naar aanleiding van een film of een boek. Het laat me knopen doorhakken. Of geeft me net dat kleine zetje waardoor ik iets ineens toch durf. En dan ook meteen doe.

Jaren geleden, ik werkte nog maar net in het notariaat, moest ik getuigen bij een testament van een vrouw van begin dertig. Ze had twee jonge kinderen, maar ook longkanker en ging dood. Ze vertelde dat ze altijd zo’n hekel had gehad aan wachten. Zoals het wachten op een bus of een trein. Daar had ze nooit geduld voor. Het enige dat ze toen nog zou willen, was te kunnen wachten. Hád ze daar nog maar de tijd voor. De volgende dag overleed zij. Het zette mij aan het denken. Ik was jong, verliefd en wilde niets liever dan samen zijn met mijn geliefde. Hij wilde niet mijn kant op komen wonen. Er zat niets anders op. Ik ging zijn kant wel op. We kochten een huis bij hem in de buurt en trouwden. Omdat dat toen goed voelde. En omdat, zo had ik gezien, alles ineens zo maar voorbij kon zijn.

Een paar jaar geleden mocht ik als vrijwilliger helpen in het Hospice. Ik kookte en bracht het eten naar de zieke gasten. Indrukwekkend. Een groot goed. Om daar te mogen zijn en te mogen zorgen. Ik zag en voelde van alles en weer dacht ik veel na. Over wat ik wilde, wat ik nog kon. Welke kant ik op moest. Met mijn werk, met mijn privéleven. De mensen die daar lagen, hadden geen keuze meer. Hun lot was bezegeld. Ik daarentegen kon nog alle kanten op. Ik besloot om -al dan niet tijdelijk- uit mijn huwelijk te stappen en mijn huis te verlaten. Kind mee en dan maar kijken wat er zou gebeuren. Egoïstisch? Misschien. Maar op dat moment het enige juiste wat ik kon doen. Ik volgde mijn hart. Dat wat ik voor ogen  had, werd het niet. Helemaal niet zelfs. Liep ik eerst met mijn hoofd in de wolken, later liep ik ermee tegen een muur. Toch had ik geen spijt. Want toen ik de beslissing nam, voelde het goed.

Vorige week werd er een vliegtuig uit de lucht geschoten. De mensen die er in zaten, wisten van niets. Stapten nietsvermoedend het vliegtuig in. Families en gezinnen werden uit elkaar gerukt. Een onvoorstelbaar verdriet overspoelde ons allemaal. Omwille van? Hij die het weet, staat op. Zinloos geweld. Op niets af. Woedend en machteloos staan we er bij en kijken we er naar. We vinden van alles, maar kunnen niets. Leert men dan helemaal niets van het verleden? Wijzend naar elkaar wast men ondertussen zijn handen in onschuld. Niemand lijkt verantwoordelijk. Wees dan flink en eis -als het dat tenminste is-  de aanslag op. 

Carpe Diem. Het is zo waar. Maar hoe vaak vergeet ik het zelf niet? Blijf ik hangen in die dikke mist van verdriet. Blijf ik boos op iets of iemand, terwijl het goedbeschouwd al lang al niet meer de moeite waard is. Het staat zoveel andere mooie dingen in de weg. Soms is het gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het loslaten of accepteren dat de dingen zijn zoals ze zijn. Soms is het gewoon een kwestie van doen.

En dus stel ik mezelf af en toe die vraag. Wat zou ik nog willen voordat ik dood ga? Heimelijke (maar vooral oh zo banale en daarom des te heerlijker) fantasieën heb ik over mijn liefdesleven. Ik houd ze voor me, ze zijn niet voor niets heimelijk. En van mij. De niet banale deel ik echter graag. De Alpe d’Huez zes keer op - en af fietsen. Dat wil ik. Zo ook ooit in Italië wonen. Of naar een concert van Bocelli gaan. Ik wil nog veel steden bezoeken. Waanzinnig veel boeken lezen. Nog heel veel strandwandelingen maken. De zon in de zee zien zakken. Mijn kind op zien groeien tot een gelukkig en evenwichtig mens. Maar ook, dat ene boek, verhaal of gedicht schrijven. Die ene fabuleuze regel. Uitdrukking geven aan dat wat ik voel. Dat wil ik.