16. jun, 2014

Klein en kwetsbaar

Diepe indruk maakt de column Spaanders. Afgelopen zaterdag in de weekendbijlage van de Alkmaarsche Courant. Ze schrijft over vaderdag. En het verdriet om de dood van haar man en vader van haar kinderen. De impact die dit overlijden heeft gehad en nog altijd heeft op haar dochter. Dochter wilde namelijk net als moeder altijd groot en sterk zijn. Maar, zo is de vraag nu achteraf, waarom eigenlijk? Waarom is klein en kwetsbaar niet veel krachtiger..? ‘Verdriet mag er zijn. Het gaat juist in de weg zitten als het er niet mag zijn’.

En zo is het. Want hoe klein en kwetsbaar was en ben ik zelf niet. Telkens weer. Bij welke vorm van verdriet ook. Het rouwen om de dood van dierbaren of om een ander afscheid. Ik zou willen dat ik mijn verdriet weg kan stoppen. Schijnbaar stoïcijns mijn weg kan vervolgen. Alsof het mij niet raakt. Maar ik kan het niet. Moet dwars door al het verdriet heen én weer terug. Wil nu eenmaal alles voelen. En dat wil ik dan weer delen. Met die mensen die me lief zijn. Het heeft me veel gebracht. Vriendschappen voor het leven. Of juist niet.

De column brengt me ook terug naar vaderdag. Naar mijn vader. Gek, lief. Maar ook zo eigenzinnige vader. Die met zijn Italiaanse roots een behoorlijke stempel drukte op ons dagelijks familieleven. Die, zodra hij één voet op Italiaanse bodem zette, een hele andere man werd. Was hij in Nederland een bescheiden, maar hard werkende man, in Italië was hij ineens hét mannetje. Iemand die het ‘had gemaakt’ in het buitenland, in een grote auto reed. Niets geen valse bescheidenheid meer, maar ineens blakend vol zelfvertrouwen. Staand aan de bar een wijntje dronk. Of een grappa. Die na een emotioneel weerzien met zijn moeder binnen vijf minuten verwikkeld was in een heftige woordenwisseling. Mijn Italiaans was destijds niet zoals die nu is, maar ook toen verstond ik feilloos de vele verwensingen die over tafel of, bij hoogoplopende ruzies, zonodig over het erf vlogen. Oma was, op zijn zachtst gezegd, niet gecharmeerd van het feit dat haar zoon geëmigreerd was. Vriend en vaderland in de steek had gelaten. Of beter, háár in de steek had gelaten. Zoonlief was namelijk haar enige zoon. Dus haar lievelingskind. Maar juist hij, hij verkoos een andere vrouw. Boven haar. Knallende ruzies, die altijd weer oplosten in het niets. Want de liefde tussen moeder en kind is een onvoorwaardelijke. En komt dus altijd weer goed. Ook in Italië.

Mijn vader overleed in 2005. Er was geen remedie tegen de ellende in zijn buik. Toen mijn vriendin één van de laatste dagen vroeg hoe het met hem was, zei hij: ‘Goed hoor. Maar ik ga dood.’ Hij geloofde het zelf niet. In zijn laatste uren sprak hij alleen nog maar Nederlands. Ook met Italiaanse vrienden of familie. Ineens moest ik zijn woorden vertalen naar het Italiaans. Hoe anders was dat vroeger. Toen vertaalde hij alles voor mij.

Mijn lieve, sterke pappa. Warm en open. Gek op ons en gek op eten. Afscheid van hem heb ik nooit genomen. Ook al was ik er bij. Hij leeft immers voort. In mij, in mijn kind. Ik zie hem in de spiegel. Of in de ogen van mijn kind. Mijn grote blonde en zó niet Italiaans lijkend kind. Maar toch net zo temperamentvol is als opa. Net zo open en net zo warm. Hoe rijk kun je zijn.