3. jun, 2014

Wijnreis

En zo komt het dan ook nog zover dat ik met mijn bevlogen wijndocente het vliegtuig in stap. Richting Italië. Uiteraard. Juf gaat daar namelijk proeven bij wijnboeren en leerling spreekt, helemaal met wijn er in, best aardig Italiaans. Tja. De combinatie is dan zo gemaakt.

Kennen juf en leerling elkaar… Eh. Nee. Klikt het wel tussen die twee. Eh. Ja. Ze zijn immers op dezelfde dag jarig en dat schept altijd een band. Ik heb alleen die verjaardag ‘iets’ vaker mogen vieren. Het maakt dat ik me oud voel. Stokoud. Bejaard bijna.

Ons reisdoel is Le Marche. Een streek in Italië waar ik twee jaar eerder ben geweest. Met man, kind en fiets. Waar ik in een zinderende warmte in mijn eentje heuveltje op en heuveltje af ben gefietst. Waar ik op een gegeven moment moest afstappen. Niet alleen omdat ik de trappers niet meer rond kreeg, maar ook omdat ik niets meer zag door al mijn tranen. Door pracht en praal overmand. De kleuren om mij heen, de geur. Overweldigend. Alsof je een ansichtkaart binnen rijdt. Surrealistisch bijna. Zelden heb ik mij zo gelukkig en compleet gevoeld als toen. Ook al stond ik als een hijgend –maar vooral sentimenteel- hert naast mijn fiets. En moest ik lopend naar boven.

De heenreis begint enerverend. Want hoewel we gewoon keurig twee uur van te voren op het vliegveld staan, presteren we het toch om bijna het vliegtuig te missen. Al pratend tijdens de koffie in een heerlijk zonnetje buiten vergeten we de tijd. Op teenslippers en met loodzware tas zonder wielen ren ik richting vliegtuig. Ik die ooit gezworen heb nooit en te nimmer voor een bus of trein te gaan rennen, ren nu wel voor een vliegtuig. Alsof mijn leven er van afhangt. Mijn eerste grens is verlegd.

Een warm welkom wacht ons in Rome. Op de eerste avond wordt er ingebroken in onze kamer in de Bed and Breakfast waar wij in verblijven. Via onze kamer is er iemand onrechtmatig het gebouw in gekomen. Deuren en ramen staan wagenwijd open. Gelukkig zijn wij elders aan het eten en weten we van niets. Er is niets meegenomen. Zelfs niet mijn reistas. Die toch wel heel erg in de weg moet hebben gestaan. Maar ja.. geen wieltjes hè? Een geluk bij een ongeluk, want wie wil er nou zo’n ouderwets ding mee? Ik. Gekregen in een grijs verleden van mijn lieverd. Ik sentimenteel? Echt wel. Daarbij ook gewoon zonde om een nieuwe te kopen. Tja.. ook Neerlands bloed stroomt door mijn aderen.

De volgende dag rijden we in een spiksplinternieuwe 500 richting Le Marche. Het regent en de wolken die tussen de bergen hangen zijn dreigend. Ons Fiatje houdt zich kranig en na een uur of wat rijden we een slapend dorpje binnen. Bij een evenzo slapende bakker kopen we wat verse broodjes en bij de plaatselijke buurtsuper in plakken gesneden verse pecorino en rucola. Zo, zó lekker. Op een bankje in een waterig zonnetje eten we het op. Ondertussen kijkend naar de mensen die langslopen. Een feestje op zich. Dat die mensen ook naar ons kijken, is wat anders. Mijn jurk baart bij het mannelijk deel van het dorp nogal wat opzien. Zo denk ik. Toegegeven, het decolleté is redelijk opzichtig, maar hé…. Ik ben bijna 50. Als ik iets wil laten zien, moet ik snel zijn. Overigens –en dat geeft wel te denken- zijn de mannen die naar me kijken zo tussen de 80 en de schijndood. Of buschauffeur.

In Ascoli Piceno wacht ons wijnboer nummer 1. Of boer... Het is één van de grootste wijnproducenten in de regio. Met een, volgens juf, heerlijk houtgerijpte pecorino in het assortiment. We krijgen de meest prachtige wijnen te proeven. Tenminste, ik vind ze prachtig. Maar, met de door mij gemaakte kilometers in de wijnwereld zal dat niemand verrassen. Ik word er in ieder geval erg blij van. Of word ik blij van de baardige Italiaan die ons met zijn charmante Engels te woord staat? Ik houd het maar op de wijn. Want daar is bij mij weinig voor nodig. Wil een man mij voor zich winnen moet hij van goede huize komen. Al zijn de meningen daarover -heel gek- de laatste tijd dan wat verdeeld.

Ons hotel ligt aan zee. Vista al mare. Oftewel met uitzicht op zee. Palmbomen op de boulevard. Zwembad in de tuin. En een scala aan mannen. Letterlijk een hele bus vol. Voor elk wat wils zullen we maar zeggen. Roep het en het loopt er. Jong, oud, lelijk, mooi, suf of juist erg -slik- heel erg atletisch. We vergapen ons aan zoveel mannelijk schoon. Tijdens het ontbijt zitten we op de eerste rang voor het raam. Met uitzicht op die bus. Eten en genieten, de dag begint goed. De vlammen slaan me uit als één van hen openlijk met me staat te flirten. Dat heb ik weer. Ik weet van gekkigheid niet waar ik moet kijken, want overal waar ik kijk staat wel een man. Al dan niet belangstellend. Want, zo legde baardige wijnboer van gisteren ons uit, Italiaanse mannen zijn zo bezeten van vrouwen en sex door de grote rol van de katholieke kerk. Dat zal allemaal wel zo zijn, maar volgens mij zit een en ander ook bij hun genen ingebakken. Ik krijg er in iedere geval wel rode wangen van. De engerd die het op mij heeft voorzien, blijkt, zo ontdek ik later als de bus wegrijdt, de buschauffeur. Ook dat heb ik weer. Een bus vol en ik vang de chauffeur. “Jij hébt tenminste sjans”, zo zegt mijn reisgenote. En daar zegt ze zo wat. Want inderdaad. Ik heb sjans. Geruststellende gedachte. Ik lig dus heus nog in de belangstelling. Ook al is het dan die van een griezel.

Dag drie worden we rondgetoerd. Door Nederlanders. Eén van de twee is eigenaar van een Bed and Breakfast in de omgeving. We zijn niet de enigen die mee gaan. De rest van ons reisgezelschap bestaat uit vier wat oudere, maar zo te horen, zeker niet onbemiddelde Nederlanders. We zullen vier wijnhuizen gaan bezoeken. Vier. Slik. Stel dat ik per wijnhuis zes wijnen proef. Dan ben ik zeker rondom gelukkig op de terugreis. “We worden gereden, dus ach, wat kan ons gebeuren”, zo denken we nog monter. Niet wetende dat onze chauffeur het niet zo nauw neemt met dat proeven. Wel telkens roept dat hij niet mee doet, maar vaak genoeg met een glas in zijn handen staat en dan zeker niets uitspuugt.

We beginnen vroeg. Al voor elf uur zitten we aan de eerste wijn. Op een locatie waar je stil van wordt. Niet alleen de wijn kan ons overigens bekoren. Zomaar vanuit het niets loopt er ineens een wel hele interessante wijnboer voorbij. George Clooney, maar dan nog leuker. Juf en ik zijn zwaar onder de indruk. Als we wegrijden vraagt een heer van ons gezelschap of we nog wat leuks gezien hebben. “Jazeker”, zo roepen wij jolig in koor. “Was het een witte of een rode…”, zo vraagt hij. Huh? Hij was grijs, zo wil ik nog uitkramen, maar aan de stilte van juf maak ik op dat ik beter mijn mond kan houden. Dat lukt. Bijtend op mijn tong.

Le Marche. De omgeving is net zo prachtig als ik me kan herinneren. Vorige keer was ik er in de zomer. Met veel dor en droge plekken. In vele bruintinten lag de aarde als een reusachtige lappendeken in de zon te bakken. Nu, in mei, is alles veel en veel groener. Staat alles in bloei en is er nog niet zo veel verschroeid. Weer word ik stil. Weer ervaar ik de wijdse omgeving als hemels. Mijn gedachten dwalen af. Naar hoe het toen was en hoe het nu is. Wat voor puinhoop ik er van gemaakt heb. Maar ook naar hoe nu verder. Want wat wil ik. Wat kan ik? Midlifecrisis in optima forma. Wat ik wil is schrijven. Maar hoe dan en waarover? Misschien vind ik het antwoord wel daar op die berg. In mijn eigen Italië. We zullen het beleven.

Wijnhuis nummer 2 is een biologische. Een kleintje, maar wel een leukerd. Bij binnenkomst word ik getroffen door een citaat. Vertaald vanuit het Engels naar het Italiaans.“C’è più filosofia in una bottiglia di vino che in tutti i libri del mondo”. Oftewel, er zit meer filosofie in een fles wijn dan in alle boeken van de wereld. Als zijnde een citaat van Hemmingway. Op internet kom ik er achter dat het er eentje is van Louis Pasteur. Wat maakt het uit. Het citaat spreekt voor zich en spreekt mij aan. Want ook bij mij is het op dit moment één en al filosofie. Ik zit al op glas nummer 10 qua proeven en al schenk je me nu jenever in, ik vind alles best. Tijd om het proeven even te laten voor wat het is.

Na een meer dan uitgebreide en erg, erg lange lunch met nog meer wijn (deze keer een frisse passerina), verlang ik eigenlijk alleen nog maar naar een plek om te slapen. Lekker onder een boom in de schaduw. Of op een schoon bed met witte lakens. Ramen open….. We klimmen echter weer in de warme auto. Nog twee wijnhuizen te gaan. Het lijkt wel topsport. Maar dan anders.

Bij wijnhuis nummer 3 krijg ik de slappe lach. De wijn doet zijn werk. Helemaal als blijkt dat één van de andere dames, net als ik, alleen nog maar naar de meer dan lekkere krullen van de wijnboer kan kijken. Die, zo zijn we het samen meer dan eens, gaandeweg steeds meer op Sylvester Stallone gaat lijken. Wel een chagrijnige. Beetje Rambo in the bush. Maar, who cares. Met zulke krullen vergeef ik hem alles. Nog een wijntje en ik bespring hem. Hoogste tijd dus om nu echt te stoppen met proeven. Ik ben klaar voor vandaag. Bij wijnhuis nummer 4 geniet ik van het fantastische uitzicht en laat ik de wijnen lekker voor wat ze zijn. En droom ik heerlijk weg. Blik op oneindig en fantasie op turbo.  

’s Avonds gaan we, na een heerlijke wandeling, naar een visrestaurant aan de boulevard. Buiten op het terras, aan het strand. Met een zacht ruisende zee op de achtergrond. Kok Massimo heeft beloofd voor ons tapas te maken van alleen maar vis. Veertien verschillende soorten. Natuurlijk drinken we wijn. Te beginnen met een bubbel. Doet het namelijk erg leuk bij de oesters. Oef. Oesters. Ik eet ze voor het eerst en ben niet heel erg gecharmeerd van het zachte zilte vlezige en vooral grote ding in mijn mond. Ik moet wel kauwen, anders verslik ik me. Gauw spoel ik het weg met nog meer bubbels. De houtgerijpte pecorino van ons allereerste wijnhuis volgt bij de rest van de tapas-gangen. Kokkie heeft zijn best gedaan. Zeeslakken, gamba’s, krabbetjes, kreeft, mosselen, hele magen van vissen, alles passeert de revue. De gamba’s moeten we van kokkie met onze handen eten. En “I suggest, you must suck their heads”. Eh, dat maak ik zelf wel uit vriend. Ik kan namelijk geen zeevrucht of vis meer zien. De nacht die volgt is dan ook een roerige. Ben namelijk waanzinnig misselijk. Van alle wijn? Of zijn het die zeeslakken die zich tergend langzaam een weg terug banen door mijn slokdarm?

De terugreis naar Rome verloopt voorspoedig. Keurig op tijd zijn we voor het vliegtuig. Hoeven we deze keer tenminste niet te rennen. We nemen plaats bij de juiste gate en duiken in ons boek. Het wordt leger en leger om ons heen. Bij onze gate is geen actie. Daar gebeurt niets. Wel bij gate 3. Aan de hele andere kant van de hal. Want daar moeten we eigenlijk zijn. Weer moeten we rennen. En weer ben ik op teenslippers. Mijn tas nog weer zwaarder dan eerst. De volgende keer trek ik gympen aan. En hobbelt mijn handbagage vrolijk op wieltjes.